Woonstede in de schijnwerpers :

1ste Prijs Prins Alexander de Merode - Hoeve-Kasteel van Baya te Ohey

1. Inleiding
Baya ligt op de grens van het Naamse Condroz en het Condroz van Luik, op 10 km. Van Huy.
Het is een perfect voorbeeld van plattelandsverblijven opgericht door de stedelijke burgerij, enerzijds om een goede investering te verwezenlijken en om zich een houding, gelijkwaardig aan deze van de aristocratische grondeigenaars toe te eigenen.

2. Historiek
Baya beschikte reeds over een hoeve in het begin van de 17de Eeuw, lang voor de bouwwerken van het kasteel.
In 1735, werd Jean-François Degotte eigenaar van de hoeve.
Volgens historische bronnen, maakt hij deel uit van de diensten van H.K.M. Marie-Thérèse van Oostenrijk. Samen met zijn vennoot, Philippe Antoine Lamquet staan ze in voor de bevoorrading van het Oostenrijkse leger. Daarna ten tijde van de tweede successieoorlog van Oostenrijk (in 1746) en gevolgd door de strijd tegen Frederic II van Pruisen (in 1756) ; uideindelijk in dienst van Frankrijk, nog steeds tegen dezelfde Frederic II (tussen 1758 en 1760).
Ze legden zich toe op de handel van zout, van "derle" (soort plastische grond), en op brandewijn, die gedistilleerd werd in de kelders van Baya, want ze maakten gretig gebruik van het feit dat ze van de grenzen van het Naamse Graafschap en van het Prinsdom Luik slechts op enkele honderden meters verwijderd waren ... . Ze riskeerden groot, maar maakten ook overvloedige winsten.
Rond 1740, laat Philippe Antoine Lamquet zich een kasteel bouwen te Florée, met als gevolg dat Jean-François Degotte het zijne te Baya laat oprichten.
In die periode laat hij alle pafonds beschilderen door Italianen, ze zijn allen in stijl Lodewijk XVde.

Zijn zoon erft het kasteel, maar verkoopt het in 1774.
Niet meer dan 14 jaar later wordt het terug verkocht aan André-Joseph Ackerman (1743-1824), die een belangrijke rol zal spelen in de verbetering van Baya.
Hij is handelaar te Namen en koopt de zwarte goederen van de kerk, bijna de mooiste van Wallonië.
Er bestaan 11 kamers met stucwerk, waarvan er ene volledig bedekt is.

Na verschillende opvolgende verkopen, beland Baya in 1907 in de familie, aangekocht door Edmond Ysebrant de Difque, achter groot-oom van de huidige eigenaar.
Maar, noch hijzelf, noch zijn erfgenamen hebben er ooit gewoond en enkel de hoeve werd verhuurd aan een pachter die één van de vleugels zal betrekken.
Het kasteel stond dus gedurende 100 jaar volledig leeg.
Om te trachten het van een langzaam verval te redden, bereikt Barones Anne Kervyn de Lettenhove een klassering als patrimonium in 1984.

3. Ons Verhaal
Veeleer van u te overrompelen met data van de werken, hield ik eraan, u ons verhaal te vertellen. Mijn vrouw droomde van een klein huisje met een grote tuin. Onder mijn aandrang, erft ze een groot huis in ruine en een tuin die er moet komen !
Toen onze tante Anne Kervyn de Lettenhove ons haar hulp voorstelde voor de restauratie van Baya, was het familiale enthousiasme volledig afwezig.

Je hoefde er echt in te kunnen geloven om in het verlaten gebouw de rijkdom en pracht te ontdekken die er aanwezig was.
Als het regende stonden de kelders vol water. Op het verdiep zater de plankel vol gaten van ratten en de raamkozijnen waren volledig verrot.
De pachter die de vleugel bewoonde wierp zijn oud ijzer in de kelders, en de afval van zijn landbouwmachines stapelde zich op tegen de noordelijke zijgevel van het kasteel. Als bekroning beschilderde hij de stukken carrosserie van zijn wagens in de mooiste zaal met stucwerk.
De vijver, aan de noordkant, was niets meer dan een moeras waarin populieren groeiden en de zuidkant leek op een slecht onderhouden binnenkoer van een hoeve.
De drie gebouwen verloren hun ziel... .

Ondanks alles, erfden we dit hoeve-kasteel in 1996 en we pakten het restauratieprobleem met alle mankracht aan.
Het eerste dossier dat we indienden bij het Waalse Gewest om subsidies te bekomen, bestond uit het "water-vrij" maken van het gebouw, droogleggen van de kelders, herstellen van de daken, en het vervangen van alle raamkozijnen.
Maar aangezien er meer dan anderhalf jaar verliep tussen het indienen van het dossier en de mogelijkheid om met de werken te kunnen beginnen, heeft dit ons toegelaten om zelf met werken te starten in alle delen die niet geklasseerd waren.
De kelders werden volledig ontruimd, ook de eerste verdieping kreeg dezelfde verjongingskuur, opruimen van tonnen afval, verwijderen van het bezetwerk van de muren en van alle planken vloeren. Op een bepaald moment kon men vanaf de eerste verdieping tot aan de dak zien. Het volledige huis was ontmanteld.

Vanaf dit moment kon de eigenlijke restauratie beginnen, enerzijds liet het Waalse Gewest een algemene onderneming komen voor alles wat te maken had met stabiliteit en waterdichtheid voor de buitenkant van het gebouw, terzelfdertijd werkten wij aan de isolatie van de binnenkant, het aanleggen van centrale verwarming, electriciteit, nieuwe vloerbedekking, enz. ... .

Het is in die periode dat we tot een prachtige ontdekking kwamen. Onze architect, Eric d'Oultremont, stelde zich vragen omtrent de niveau-verschillen tussen het gelijkvloers en het eerste verdiep. Met de hulp van de archeoloog van de Waalse Regering, hebben we dus een klein gaatje gemaakt in één van de plafonds om tot onze grote verbazing magnifiek geschilderde plafonds te ontdekken, soms in erbarmelijke staat ... . Zo kwamen we tot de ontdekking dat het volledige gelijkvloers beschilderde plafonds had, die sinds meer dan 200 jaar verborgen lagen onder de valse. Enkel drie onder hen vielen niet meer te herstellen.
En terug vergde het tijd vooraleer de administratie besliste of deze plafonds wel of niet deel uitmaakten van het geheel van de delen die voorheen reeds geklasseerd waren.
Na één jaar, werden drie plafonds geklasseerd als "uitzonderlijk patrimonium". Hun herstel zal nog twee jaar duren.

Het laatste gedeelte van de restauraties van het huis betreft het stucwerk, dat terzelfdertijd uiterst geraffineerd en in grote hoeveelheid aanwezig is : er zijn er in de vier kamers van het eerste verdiep ! Er zijn een lastenboek van 6 centimeter dikte, oneindig veel administratieve herinneringen, veel werfvergaderingen, enorm veel discussies en soms de nodige diplomatie aan voorafgegaan
vooraleer de 3 teams elk op hun beurt gedurende twee jaar erin slaagden om het stucwerk zijn glans en glorie van voorheen terug te geven.

Gedurende die tijd werden we thuis door de kinderen gepest want er werd enkel nog over Baya gesproken. ... .

Het werd een lang en geduldig werk, met veel hulp, maar dat betekent slechts een gedeelte van de restauratie ... . Al het andere hebben we zelf betaald, in werktijden, in energie en met geld.

Momenteel legt een ambachtsman de hand aan de laatste nog te restaureren plaats, ze is overdekt met stucwerk en er zal meer dan anderhalf jaar nodig zijn voor we het einde zullen zien..

Conclusies :
Wij bewonen een prachtig huis, dat ons een titanisch werk gevraagd heeft maar waar we enorm fier om zijn, zelfs al blijft er nog veel dat kan verbeterd worden ; vooral in de tuin en in de vleugels van de hoeve.
Wij willen de Vereniging der Historische Woonsteden bedanken om deze gift.
Het zal ons toelaten onze bijdrage te betalen in de restauraties van de laatste plaats met stuc.

Dank voor uw aandacht.

Dhr. En Mevr. de Quirini


_____________________________________

 

1ste prijs Alexandre de mérode 2006

een eUpens huis van de xviide eeuw

Een gepassioneerd echtpaar restaureerde een vakwerkhuisje uit 1608. Hun inspanningen werden bekroond door de 1ste Prijs Prins Alexandre de Merode 2006

Désiré Tassin : Waarom bent u de restauratie begonnen van een oud pand dat zich in slechte staat bevond en dat sinds vele jaren onbewoond was?
Jean-Pierre Nyssen : Ik ben eigenlijk het “slachtoffer” van mijn ouders die me met het virus voor oude gebouwen “besmet” hebben. In Eupen in de Nispertwijk wonen we in een beschermd gebouw; het eigendom –waarop zich een mooie kleine kapel bevindt – werd een vijftiental jaar geleden al beschreven in een artikel in “De Woonstede door de Eeuwen Heen”. Totaal onverwacht kochten we ook dit huisje met hoge uitkragende puntgevel. Ik zei wel: “onverwacht” (inopinément). In het woordenboek zit dit woord ergens gevat tussen “inopportun” (ongelegen) en “inopérable” (inoperabel) !  De aankoop kwam niet ongelegen, want mijn echtgenote en ik kwamen al jarenlang dag in dag uit aan deze smalle straat voorbij, en de vervallen staat van deze stille getuige van het oude Eupen stemde ons droevig. Wat de opereerbaarheid betreft, kwam ik in mijn diagnose, na een diepgaand onderzoek en na overleg met de specialisten terzake, tot de vaststelling dat de zieke nog vrij stabiel was en dat we hem mits intensieve zorgen weer op de been konden helpen !

D.T. Kan u dit huis dat u in 2003 aankocht, situeren, en er de voornaamste kenmerken van beschrijven?
J.P.N. Het ligt in de Hufengasse n°11, in de onmiddellijke nabijheid van de Eupense marktplaats; met andere woorden: in de historische stadskern. Dit huis paalt dus aan de decanale Sint-Niklaaskerk, en het Vercken de Vreuschemenhuis –laatste grote werk van architect Johann Joseph Couven– dat uit 1752 dateert. Het Hufengassehuis is een huis in vakbouwstijl met drie verdiepingen, met overstekend dak en uitkragingen. De gotische stijl is er nog altijd zeer markant aanwezig : Smalle maar hoge constructie, structuur met uitspringende ribben, uitkragende verdiepingen, dakhelling van 70 graden en tenslotte, binnen, een kenmerkend profiel van de traptreden. In Eupen staan er nog enkele vakwerkhuizen, alhoewel er reeds vele afgebroken werden; Het dichtstbijgelegen in onze streek vinden we in Stavelot of in het kleine Duitse dorp Montjoie terug, op een vijftiental kilometer hiervandaan. Hierbij past het om te vermelden dat deze bouwwijze rond 1000 voor Chr. opdook en algemeen in zwang geraakte rond 1000 na Chr., in de bosrijke streken van Europa.

D.T. Wat weet u over dit huis dat in 1608 werd opgetrokken, en over zijn vroegere bewoners?
J.P.N. De ouderdom van dit pand kan met onbetwistbare zekerheid worden vastgesteld omdat de dendrochronologische analyse van het dakgeraamte, de vloerbalken en de houten structuur, uitgevoerd door het departement Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Luik –meer bepaald door David Houbrechts, specialist op het gebied van vakwerkhuizen –, ondubbelzinnig kon aantonen dat de eiken die voor de bouw dienden, werden gekapt in de winter van 1607-1608.  Wij kennen noch de architect, noch de eerste eigenaar. Daarentegen weten wij wel dat het deel uitmaakte van de erfenis van een zekere Matthias Brüll en dat het werd overgelaten aan Johann Konings. Het feit dat de stad Eupen Pruisisch was tussen het Congres van Wenen en dat van Versailles, maakte het kadastrale opzoekingswerk er niet minder eenvoudig op. Wij kunnen het spoor volgen van de opeenvolgende bewoners sinds 1886 maar hebben nog niet de tijd gehad om ons onderzoek “stroomopwaarts” verder te zetten. Men kan alleen veronderstellen dat, om in die tijd een dergelijke huis te kunnen bouwen, de eigenaar er warmpjes moest bijzitten.

D.T. De geestdrift was er al; maar wat heeft u uiteindelijk overtuigd dat de aankoop ook redelijk was?
J.P.N. Wij kwamen er snel achter dat het huis geïnventariseerd was en beschreven werd in “Le Patrimoine monumental de la Belgique”. Het stond ook vermeld in de lijst van het Eupens onroerend erfgoed; waarin de auteur zijn korte uiteenzetting besluit met de volgende conclusie: “zou men de oude vakwerkstructuur van onder de huidige bekleding halen, dan zou dit huis een der trekpleisters van onze stad zijn”. De positieve resultaten van de voornoemde dendrochronologische analyse waren de beslissende factor in onze beslissing om de uitdaging van de restauratie aan te gaan.

D.T. Welke soort restauratie had u te maken?
J.P.N. Het huis heeft door de eeuwen heen goed stand gehouden, behalve de vensters in de voorgevel, die in de 19de eeuw werden vergroot. Helaas werden er bij deze operatie delen van het vakwerk weggehaald waardoor de overblijvende structuur onstabiel werd en de verzwakking van de stijlen en de onderlaag voor het pleisterwerk met zich meebracht. Als gevolg van een langdurige leegstand en omdat de vochtigheid ook een handje meehielp, werd het huis onbewoonbaar en liep het gevaar om in te storten. Het doel was dus om aan het huis zo veel mogelijk het uitzicht terug te geven van hoe het kort na zijn bouw moet hebben voorgekomen, en hierbij de technieken van onze voorouders te respecteren.

D.T. Na deze uitdaging tot een succesvol einde te hebben gebracht, wat kan u besluiten?
J.P.N. Allereerst wil ik het belangrijkste benadrukken om een dergelijke onderneming te doen slagen; namelijk zich goed informeren, zich laten beraden door specialisten uit de sector en bij elke stap tijdens de restauratie erop letten dat de beginstructuur van het gebouw zoveel mogelijk gerespecteerd wordt. Zonder de ervaring van onze neef, schrijnwerker Franz Nyssen en de kennis van David Houbrecht, hadden we dit avontuur nooit tot een goed einde gebracht. Wij hadden meer dan eens af te rekenen met ontmoedigingen, maar anderzijds alleen maar voldoening! Vooral omdat we zo mijlenver verwijderd waren van onze professionele beslommeringen en dan was er nog de roes van de ontdekkingen. Enkele voorbeelden ?  Wij leerden dat toen het huis gebouwd werd, de ramen uit twee delen bestonden: het bovenste deel met vaste ruiten; het onderste deel zonder, maar afgesloten door een luik. Deze toepassing blijkt uit talrijke werken van Hieronymus Bosch . Wij hebben eveneens de deugdzaamheid ontdekt van klei als bouwmateriaal, of ook nog dat vakwerkconstructie in feite op een reuzenmeccano lijkt. Tijdens onze bezoeken aan andere oude woningen in het kader van onze zoektocht naar geschikte oplossingen, ontdekten wij de sluimerende erfgoedrijkdom in onze kleine stad. Helaas leidt het leegstaan van een groot aantal van deze gebouwen uit vorige eeuwen tot faraonische projecten die deze moeten vervangen door smakeloze huurcomplexen... Zal de restauratie van het Hufengassehuis een andere, zij het kleine, wending aan deze trend kunnen geven? Afgezien van de andere genoegens die we citeerden, zou dit zeker de grootste zijn. Om maar aan te geven dat deze ervaring in niets ons virus voor oude gebouwen heeft kunnen stuiten: mijn echtgenote en ik vielen voor een zeer mooi beschermd huis uit 1744, dat we sinds kort hebben aangekocht.  Het ligt in hartje Eupen; vroeger was er een belvédère — tevens lichtkoker voor de traphal — die in 1950 werd gesloopt. Net zoals bij het huis dat we net restaureerden, was ook dit huis gedurende meer dan 10 jaar onbewoond. Onze bedoeling is dan ook het te restaureren en uiteraard de belvédère te reconstrueren. Dit wordt onze volgende uitdaging! Er rest ons tenslotte nog de aangename opdracht om de KVHW&TB te bedanken voor de prijs die ze ons toekende voor de uitgevoerde restauratie, die volledig met eigen geldmiddelen gebeurde. Aangezien de voornaamste werken reeds afgelopen waren toen het gebouw onder de bescherming van Monumenten & Landschappen werd geplaatst, bekwamen wij geen enkele officiële subsidie. 
Het grote publiek neemt in het algemeen aan dat uw Vereniging zich alleen voor grote beschermde gebouwen interesseert; nochtans heeft ze zich, net zoals in 2004, uitgesproken voor de restauratie van een privaat huis. Dat verdient in de verf te worden gezet en wij zijn des te fierder omdat het de eerste keer is dat zij een prijs uitreikt in de Duitstalige Gemeenschap.

Details van de werken

Buitenkant
De restauratie van de voorgevel was veruit de meest gecompliceerde faze omdat deze ten dele werd veranderd. Omdat de smalle straat druk begaan wordt vanwege de nabijheid van het ziekenhuis, moest er voor het begin van de werken een stalen brug worden geslagen die terzelfder tijd diende als opslagplaats van bouwmateriaal en aanmaakmateriaal voor de klei. Wanneer men de reproductie van een postkaart uit 1930 vergelijkt met de foto van de gerestaureerde gevel, blijkt dat het eerste werk erin bestond de bedekking van zink en eternit te verwijderen om de houten structuur van het vakwerk terug bloot te leggen. Dhr. Houbrechts kon de oorspronkelijke structuur van het vakwerk hertekenen en ontdekte bovendien dat sommige openingen waren dichtgestopt. Gelukkig kon men aan de hand van de sporen van de toognagels afleiden welke regels en welke stijlen ontbraken. Door de inkepingen, scharniersporen en duimen kon men de schikking van de luiken vaststellen. De bedekking verborg de pleisterspecie  die volledig moest worden overgedaan op het gelijkvloers en op de eerste verdieping, en aangevuld op de 2de en 3de verdieping. De houten structuur die tijdens de vergroting van de vensters werd vernietigd, werd vervangen door oude eiken balken met een gelijkaardige structuur en het geheel werd uitsluitend in elkaar gezet met pen en gat. De verf en het cement die de natuursteen van het gelijkvloers en van de kraagstenen bedekten, werden verwijderd. De ramen van elke verdieping vonden hun oorspronkelijke schikking terug en de dichtgemetselde vensteropeningen werden opnieuw geopend. Het dak was na de bouw hoogstwaarschijnlijk met stro bedekt. Wij opteerden voor natuurleisteen. Daar het oorspronkelijke eikenhouten geraamte nog in perfecte staat was, werden alleen de kepers in naaldhout – daterende uit de 19de eeuw– vervangen.

Binnenkant
Na de verwijdering van een paar houten tussenwanden op het gelijkvloers en op de eerste verdieping, was men volledig tevreden met de schikking en de grootte van de vertrekken. De muren, ontdaan van hun behangpapier, werden opnieuw bestreken met een minerale verf die de klei kon fixeren. Natuurlijk werd ook het nodige moderne comfort niet vergeten; maar dat betrof niet de aanpassing van de trap. In de hoek van de keuken bevindt zich de wenteltrap ; deze stemt volledig overeen met de beschrijving in “Le patrimoine rural de Wallonie”. Hij is zeer steil en zijn treden zijn afgesleten, maar hij bezit een aparte charme. Hij is deels ingebouwd in een houten koker. Een mooie bewerkte eikenhouten deur waarboven zich een kleine ingemaakte kast bevindt, leidt naar de trapkelder uit kalksteen. De keukenvloer was bedekt met een dikke laag cement. Toen die verwijderd was, kwam nabij de ingang, op ongeveer 1m2, de oorspronkelijke bedekking aan het licht: kalkhoudende zandsteen en vervolgens zandstenen tegeltjes op hun kant gelegd. De rest van het vertrek werd in de 19de eeuw bedekt met een rode zandstenen tegelvloer. In alle andere vertrekken bedekt een naaldhouten plankenvloer uit het begin van de 20ste eeuw de originele eikenhouten plankenvloer. Verscheidene planken deuren (die van de kelder en van een deur op de 2de verdieping) lijken uit de 17de eeuw te stammen; twee opgeklampte deuren die men op de verdiepingen aantreft, dateren uit de 18de eeuw. Het vereiste veel “ellebogenstoom” om het oorspronkelijke hout opnieuw tevoorschijn te laten komen! De schoorsteen ging schuil achter een multiplex tussenschot en onnodig te vermelden, ook onder dikke verflagen. Hij is typisch voor het Land van Herve en stemt in alle punten overeen met de beschrijving in het werk “Architecture rurale de Wallonie” 9. Het metselwerk dat wordt gevormd door de schoorsteen en zijn rookkanaal, vormt de ruggengraat van de constructie en verzekert daardoor voor een deel de verankering van het geheel. Na het wegnemen van haar houten (!) bescherming, werd de achterwand in baksteen gemetseld volgens een schets uit het voornoemde werk. De twee kalkstenen posten bevatten een zout-en kruidenkastje. De kroonlijst van de schoorsteenmantel is ineengezet met een halfhoutse verbinding en rust op de deklijst van de posten. De mantelkap bestaat uit leem op hordewerk. De kers op de taart was de plaatsing van een haardplaat afkomstig uit een huis uit 1707, gelegen in de Gospertstraat.
(meer referenties,  zie artikel in link hier boven)

 

Trierstraat, 67 - 1040 Brussel | 02 / 400 77 08